Wetten
Kies een categorie om een overzicht te krijgen van de bijbehorende wetten.
- Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
- Meststoffenwet
- Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
- Wet milieubeheer
- Waterwet
- Uitvoeringsbesluit verontreinigingsheffing rijkswateren
- Wet belastingen op milieugrondslag
Hst. I Inleidende bepalingen
Art. 1
a. de wet:de Wet belastingen op milieugrondslag ;b. kennisgevingsnummer:het nummer dat door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat ingevolge bijlage IC, onder 3, van de EVOA wordt toegekend aan het in bijlage IA van de EVOA verplicht gestelde kennisgevingsdocument; c. gemengde afvalstoffen:huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu; d. RSIN:rechtspersonen en samenwerkingsverbanden informatienummer dat door de Kamer van Koophandel wordt verstrekt bij inschrijving van rechtspersonen en samenwerkingsverbanden in het handelsregister; e. KvK-nummer:het unieke nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 ;f. VIHB-nummer:het registratienummer welke door de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie is toegekend aan een bedrijf dat wordt vermeld op de lijst, bedoeld in de artikelen 10.45, eerste lid, onderdeel a , en10.55, eerste lid, van de Wet milieubeheer ;g. gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf:bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit ;h. landelijk asbestvolgsysteem:elektronische voorziening waarin informatie over het proces van asbestinventarisatie, asbestverwijdering, eindbeoordeling asbestverwijdering, opslag en transport en stort van asbest en asbesthoudende producten wordt ingevoerd en opgeslagen via https://www.asbestvolgsysteem.nl.
Hst. II Grondwaterbelasting
Art. 2
Hst. III Belasting op leidingwater
Art. 3
Hst. IV Afvalstoffenbelasting
Art. 4
a. materiaal voor het realiseren en onderhouden van een afrastering; b. materiaal voor het realiseren van de onderafdichtingsconstructie, de geohydrologische maatregelen en het controlesysteem zoals verlangd in het Stortbesluit bodembescherming , deRegeling stortplaatsen voor baggerspecie op land , dan wel de Richtlijnen voor baggerspeciestortplaatsen in het beleidsstandpunt «Verwijdering baggerspecie» (Kamerstukken II 1993/94, 23 450, nr. 1);c. materiaal voor het realiseren van de bovenafdichtingsconstructie zoals verlangd in het besluit, de regeling, of de richtlijnen, genoemd in onderdeel b; d. (riool)buizen voor de opvang en afvoer van percolaat en neerslag en materiaal voor installaties voor de behandeling van percolaat en neerslag; e. verzamelleidingen voor de opvang en afvoer van stortgas in de egalisatie- of steunlaag en materiaal voor installaties voor de behandeling van stortgas; f. het realiseren en in werking houden van nutsvoorzieningen; g. het realiseren en in werking houden van installaties voor het be- of verwerken van afvalstoffen; h. het operationeel houden van kantoren, van de controle- en registratieposten, van een laboratorium, van werkplaatsen, van het aanwezige rollende materieel en van de wasplaats; i. materiaal voor het realiseren en in stand houden van bouwwerken; j. materiaal voor het realiseren en in stand houden van een terreinverharding buiten het deel van de stortplaats, al dan niet in compartimenten onderverdeeld, waar tussen een onderafdichtings- en een bovenafdichtingsconstructie, als verlangd in het besluit, de regeling, dan wel de richtlijnen, genoemd in onderdeel b, afvalstoffen worden gestort (stortlichaam); k. ongediertebestrijding; l. een bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit , die voorzien is van een erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring als bedoeld inartikel 25b, eerste tot en met derde lid van dat besluit , waaruit blijkt dat zij voldoen aan de kwaliteitseisen, bedoeld inartikel 25d, eerste lid, van dat besluit , en die worden toegepast in een voorziening die is aangebracht op grond van een voor de milieubelastende activiteit verleende omgevingsvergunning, bedoeld inhoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ;m. grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit , die voorzien is van een erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring als bedoeld inartikel 25b, eerste tot en met derde lid van dat besluit , waaruit blijkt dat zij is ingedeeld in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, bedoeld inartikel 25d, tweede lid, van dat besluit , die wordt toegepast in een voorziening die is aangebracht op grond van een voor de milieubelastende activiteit verleende omgevingsvergunning, bedoeld inhoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ;
Art. 5
Art. 5a
a. naam en adres van de verzoeker; b. het beoogde tijdstip van aanvang van het fiscaal-vertegenwoordigerschap; c. naam en adres van de degene die de afvalstoffen overbrengt uit Nederland en die niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft (in dit artikel: buitenlandse kennisgever).
a. in Nederland woont of is gevestigd; b. in de afgelopen vijf jaren niet wegens overtreding van de wettelijke bepalingen inzake rijksbelastingen dan wel douane onherroepelijk is veroordeeld; c. een administratie voert die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; d. naar het oordeel van de inspecteur voldoende solvabel is.
a. op verzoek van de fiscaal vertegenwoordiger met schriftelijke instemming van de buitenlandse kennisgever; b. op verzoek van de buitenlandse kennisgever; c. indien de fiscaal vertegenwoordiger niet meer voldoet aan de aan de vergunning gebonden voorwaarden.
Art. 6
Art. 7
a. naam en adres van de kennisgever; b. het RSIN van de kennisgever, dan wel, indien de kennisgever niet beschikt over een RSIN, het KvK-nummer van de kennisgever, dan wel, indien de kennisgever evenmin beschikt over een KvK-nummer, het VIHB-nummer van de kennisgever; c. het kennisgevingsnummer waarop de aanvraag betrekking heeft; d. de periode waarop de toestemming tot overbrenging betrekking heeft; e. het maximale gewicht van de afvalstoffen waarop de toestemming tot overbrenging betrekking heeft; f. het tijdstip van aanvang van de eerste fysieke overbrenging en het tijdstip van aanvang van de laatste fysieke overbrenging met toepassing van de toestemming tot overbrenging; g. het tijdstip waarop de verklaring, bedoeld in artikel 16, onderdeel e, van de EVOA, is ontvangen, dan wel ontvangen had moeten zijn, voor alle afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht uit Nederland; h. het gewicht van de afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht, alsmede het aantal transporten waarmee de afvalstoffen zijn overgebracht.
a. het gewicht van baggerspecie die is of zal worden gestort of verbrand; b. het gewicht van zuiveringsslib dat is of zal worden verbrand in een installatie buiten Nederland, verminderd met het gewicht van het aan dat zuiveringsslib toe te rekenen verbrandingsresidu; c. het gewicht van afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie, zuiveringsslib of gemengde afvalstoffen, die zijn of zullen worden verbrand in een installatie buiten Nederland waarin niet of nauwelijks gemengde afvalstoffen worden verbrand, verminderd met het gewicht van het aan die afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu; d. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a, b of c, voor zover deze afvalstoffen zijn of zullen worden verbrand in een installatie buiten Nederland waarin geen gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand, verminderd met het gewicht van het aan die afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu; e. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met d, voor zover deze afvalstoffen zijn of zullen worden verbrand in een installatie buiten Nederland, verminderd met het gewicht van het aan die afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu; f. het gewicht van verbrandingsresidu als bedoeld in onderdelen b, c, d of e, voor zover dat residu nuttig is of zal worden toegepast; g. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met f, daaronder begrepen verbrandingsresidu als bedoeld in de onderdelen b, c, d of e, voor zover deze afvalstoffen buiten Nederland zijn of zullen worden gestort; h. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met g, daaronder begrepen verbrandingsresidu als bedoeld in de onderdelen b, c, d of e, voor zover deze afvalstoffen in Nederland zijn of zullen worden gestort of verbrand; i. het gewicht van de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met h.
a. naam en adres van de ontvanger; b. het kennisgevingsnummer waarop de verklaring betrekking heeft; c. het gewicht van de afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht, alsmede het aantal transporten waarmee de afvalstoffen zijn overgebracht; d. de gewichten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met i; e. in geval de afvalstoffen geheel of gedeeltelijk zijn of zullen worden verwerkt bij verschillende bedrijven: een uitsplitsing van de gewichten, bedoeld in onderdeel d, over alle bedrijven waar een deel van de afvalstoffen is of zal worden verwerkt; indien meerdere opeenvolgende verwerkingswijzen op de afvalstoffen worden toegepast, geeft de uitsplitsing een schematische weergave van de verschillende stromen afvalstoffen en verwerkingswijzen; f. de verklaring dat de gegevens juist en volledig zijn en zonder voorbehoud worden verstrekt.
Art. 8
Art. 9
a. voor de afgifte van de beschikking blijkt dat de gegevens die de kennisgever ingevolge artikel 7 bij zijn aanvraag heeft verstrekt onjuist of onvolledig zijn; dan wel b. Onze Minister de beschikking afgeeft op grond van artikel 25a, vierde lid, van de wet .Ingeval evenwel de ingevolge de EVOA gemelde gegevens onjuist of onvolledig zijn, en de juiste en volledige gegevens redelijkerwijs evenmin tijdig op andere wijze kunnen worden vastgesteld, vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in afwijking van de eerste zin in de beschikking uitsluitend de gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met g .
Art. 10
Art. 11
Art. 11a
Art. 11b
Art. 11c
a. de sanering van dat dak door een gecertifieerd asbestverwijderingsbedrijf is verricht; b. de sanering van dat dak is gemeld in het landelijk asbestvolgsysteem; c. de sanering van dat dak uiterlijk op 31 december 2024 is afgerond; en d. de afgifte ter verwijdering uiterlijk op 31 maart 2025 heeft plaatsgevonden.
Hst. V Kolenbelasting
Art. 12
a. de naam en het adres van degene van wie de kolen afkomstig zijn; b. de naam en het adres van degene naar wie de kolen worden vervoerd dan wel overgebracht; c. de naam en het adres van degene die de kolen vervoert dan wel overbrengt; d. de hoeveelheid kolen, en e. de datum waarop het vervoer dan wel de overbrenging van de kolen is aangevangen.
Art. 13
Art. 14
Art. 15
Art. 16
a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt; b. de naam en het adres van degene die de kolen overbrengt; c. de naam en het adres van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de kolen worden overgebracht en het adres van die inrichting; d. de hoeveelheid kolen, en e. de datum waarop de overbrenging van de kolen aanvangt.
Art. 17
a. degene die de kolen gebruikt, verklaart dat de aan hem te leveren kolen worden gebruikt op de wijze, bedoeld in artikel 44, eerste, tweede of derde lid, van de wet ;b. de verklaring geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid in geval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid in geval van invoer; c. degene die de kolen gebruikt, de verklaring heeft ondertekend, en d. de verklaring op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de inrichting in geval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, in geval van invoer.
Art. 18
a. na het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak waarin de kolen zijn gebruikt op een wijze, bedoeld in artikel 44, eerste, tweede of derde lid, van de wet ;b. nadat de kolen de in artikel 45, tweede lid, van de wet bedoelde bestemming hebben gevolgd.
Hst. VI Energiebelasting
Art. a18a
Art. b18a
Art. 18a
Art. 19
a. naam en adres van de verzoeker; b. het beoogde tijdstip van aanvang van het fiscaal-vertegenwoordigerschap; c. naam en adres van de degene die de levering aan de verbruiker verricht en die niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht (in dit artikel: buitenlandse leverancier).
a. in Nederland woont of is gevestigd; b. in de afgelopen vijf jaren niet wegens overtreding van de wettelijke bepalingen inzake rijksbelastingen dan wel douane onherroepelijk is veroordeeld; c. een administratie voert die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; d. naar het oordeel van de inspecteur voldoende solvabel is.
a. op verzoek van de fiscaal vertegenwoordiger met schriftelijke instemming van de buitenlandse leverancier; b. op verzoek van de buitenlandse leverancier; c. indien de fiscaal vertegenwoordiger niet meer voldoet aan de aan de vergunning gebonden voorwaarden.
Art. 20
a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de toepassing van het tarief voor zakelijk verbruik van belang zijnde bedrijfshandelingen; b. ter vaststelling van de hoeveelheid elektriciteit waarop het tarief, bedoeld in het eerste lid, ziet deze hoeveelheid te meten met behulp van meters indien de elektriciteit mede betrokken wordt voor niet-zakelijk verbruik als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel u, van de wet .
Art. 21
Art. 21a
a. dat sprake is van een installatie voor stadsverwarming; b. dat de stadsverwarming is ontworpen om grotendeels gebruik te maken van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler; c. wanneer de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en eindigt.
Art. 21aa
a. waarom tijdelijk niet kan worden voldaan aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt;b. wat de reden is van de vervanging van de warmtebron, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet , en wanneer de periode waarin die vervanging plaatsvindt aanvangt en eindigt; enc. welke maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht om weer te voldoen aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt.
Art. 21ab
a. waarom tijdelijk niet kan worden voldaan aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt;b. dat de calamiteit redelijkerwijs niet kon worden voorzien; en c. welke maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht om weer te voldoen aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt.
Art. 21b
Art. 21c
a. de verbruiker heeft verzocht om uitstel van betaling van een belastingschuld, maar dit verzoek is door de ontvanger onherroepelijk afgewezen omdat hij het bedrijf niet of niet langer levensvatbaar acht; b. de verbruiker heeft aan zijn schuldeisers een verzoek gedaan een crediteurenakkoord te sluiten tot vermindering of kwijtschelding van de uitstaande vorderingen; c. aan de verbruiker is surseance van betaling toegestaan als bedoeld in artikel 222 van de Faillissementswet ;d. de verbruiker is bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard als bedoeld in artikel 1 van de Faillissementswet .
a. in geval van het tweede lid, onderdeel a: de verbruiker de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling was verzocht volledig heeft voldaan; b. in geval van het tweede lid, onderdeel b: de schuldeisers van de verbruiker het verzoek om een crediteurenakkoord te sluiten honoreren; c. in geval van het tweede lid, onderdeel c: de beschikking waarbij de surseance is ingetrokken in kracht van gewijsde is gegaan, bedoeld in artikel 245 van de Faillissementswet , en de faillietverklaring van de verbruiker niet is uitgesproken;d. in geval van het tweede lid, onderdeel d: het faillissement eindigt als gevolg van de homologatie van een akkoord dat in kracht van gewijsde is gegaan, bedoeld in artikel 161 van de Faillissementswet .
Art. 21d
Art. 21e
Art. 21f
Art. 21g
Art. 22
a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de desbetreffende vrijstelling van belang zijnde bedrijfshandelingen; b. ter vaststelling van de hoeveelheid product waarop de vrijstelling ziet, deze hoeveelheid te meten met behulp van meters indien het desbetreffende product mede betrokken wordt voor andere doeleinden.
Art. 22a
Art. 23
Art. 24
Art. 25
Art. 26
Art. 27
a. het kalenderjaar ingeval het aardgas of de elektriciteit in dat kalenderjaar is gebruikt op een wijze als bedoeld in artikel 64, eerste of tweede lid, van de wet ;b. het kalenderkwartaal ingeval het aardgas of de elektriciteit in dat kalenderkwartaal is gebruikt op een wijze als bedoeld in artikel 64, vierde, vijfde of zesde lid, van de wet .
Art. 28
a. uit de aankoopfactuur blijkt wanneer en hoeveel aardgas is geleverd; b. degene die het verzoek om teruggaaf doet, bij het verzoek schriftelijk verklaart welk gedeelte van dit aardgas is gebruikt als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren, niet zijnde particuliere pleziervaartuigen; en c. de verklaring, bedoeld in onderdeel b, desgevraagd kan worden gestaafd met schriftelijke verklaringen van de exploitanten van de vaartuigen waarin het aardgas als brandstof is gebruikt.
Hst. VII Vliegbelasting
Art. 28a
a. vliegtuigen die een vlucht maken uitsluitend in het kader van een opleidingscursus als bedoeld in onderdeel 1.8 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van deVerordeningen (EG) nr. 2111/2005 ,(EG) nr. 1008/2008 ,(EU) nr. 996/2010 ,(EU) nr. 376/2014 en deRichtlijnen 2014/30/EU en2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van deVerordeningen (EG) nr. 552/2004 en(EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad enVerordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PbEU 2018, L 212), gegeven door een vlieginstructeur als bedoeld in onderdeel 1.9 van die bijlage;b. vliegtuigen die een vlucht maken uitsluitend ten behoeve van het aantonen, onderhouden of handhaven van de bekwaamheid in praktische vaardigheden, bedoeld in onderdeel 1.5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/1139 .
Hst. VIII Algemene bepaling
Art. 29
Art. 29a
Hst. IX Slotbepalingen
Art. 30
Art. 31