Direct naar content gaan

HR attendering 06 maart 2026

  • Hof Amsterdam

    Douaneschulden; niet aannemelijk dat goederen douanegebied Unie hebben verlaten

    X (bv; belanghebbende) heeft op 20 december 2017 verzoeken gedaan tot terugbetaling van in twee utb’s vermelde belastingen (accijnzen en omzetbelasting) en de rente. De verzoeken zijn afgewezen. In geschil is of dat terecht is.

    ~#~

    X heeft op 11 november 2016 twee aangiften voor Uniedouanevervoer gedaan voor het vervoer van alcoholhoudende drank. Het kantoor van vertrek was Arnhem en het aangegeven douanekantoor van bestemming was Rotterdam. De goederen zijn niet aangebracht bij het kantoor van bestemming in de zin van artikel 233, lid 1, onderdeel a, DWU dan wel bij een toegelaten geadresseerde in de zin van artikel 233, lid 4, onderdeel b, DWU. Ook heeft X niet het alternatieve bewijs van regelmatige beëindiging van de regeling Uniedouanevervoer geleverd.

    ~#~

    Hieruit volgt dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken, oordeelt Hof Amsterdam. De onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht leidt tot een douaneschuld waarvoor X is aangewezen als douaneschuldenaar. Vervolgens is de vraag aan de orde of de douaneschulden teniet zijn gegaan in de zin van artikel 124, lid 1, onderdeel k, DWU. X stelt in dat kader dat zij heeft bewezen dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, maar maakt dit niet aannemelijk.

    ~#~

    Het Hof verwerpt alle stellingen. Het hoger beroep is ongegrond.

    Rolnummer: 21/00471 21/00472

  • Hof Den Haag

    Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen ten onrechte niet in aftrek toegelaten

    De Inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 van X (belanghebbende) geen aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen geaccepteerd. Dat acht Hof Den Haag, anders dan in eerste instantie Rechtbank Den Haag, onterecht.

    ~#~

    Gelet op een verklaring van X en het feit dat zijn echtgenote in 2017 en 2018 in Marokko woonde en X in Nederland, vindt het Hof aannemelijk dat X en zijn vrouw in de jaren 2017 en 2018 duurzaam gescheiden hebben geleefd. Voorts acht het Hof aannemelijk dat X in 2017 en 2018 betalingen van resp. € 2.000 en € 1.200 heeft gedaan op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Dit brengt mee dat X recht heeft op aftrek van de genoemde uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in 2017 en 2018.

    ~#~

    Het Hof oordeelt verder dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten.

    ~#~

    De nabetaling van het pensioenfonds is voorts terecht in 2018 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van X gerekend.

    Rolnummer: 23/601 23/602

Naar boven