Douaneschulden; niet aannemelijk dat goederen douanegebied Unie hebben verlaten
X (bv; belanghebbende) heeft op 20 december 2017 verzoeken gedaan tot terugbetaling van in twee utb’s vermelde belastingen (accijnzen en omzetbelasting) en de rente. De verzoeken zijn afgewezen. In geschil is of dat terecht is.
~#~X heeft op 11 november 2016 twee aangiften voor Uniedouanevervoer gedaan voor het vervoer van alcoholhoudende drank. Het kantoor van vertrek was Arnhem en het aangegeven douanekantoor van bestemming was Rotterdam. De goederen zijn niet aangebracht bij het kantoor van bestemming in de zin van artikel 233, lid 1, onderdeel a, DWU dan wel bij een toegelaten geadresseerde in de zin van artikel 233, lid 4, onderdeel b, DWU. Ook heeft X niet het alternatieve bewijs van regelmatige beëindiging van de regeling Uniedouanevervoer geleverd.
~#~Hieruit volgt dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken, oordeelt Hof Amsterdam. De onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht leidt tot een douaneschuld waarvoor X is aangewezen als douaneschuldenaar. Vervolgens is de vraag aan de orde of de douaneschulden teniet zijn gegaan in de zin van artikel 124, lid 1, onderdeel k, DWU. X stelt in dat kader dat zij heeft bewezen dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, maar maakt dit niet aannemelijk.
~#~Het Hof verwerpt alle stellingen. Het hoger beroep is ongegrond.
Rolnummer: 21/00471 21/00472