Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting
Hst. I Algemene bepalingen
Art. 1 Reikwijdte en definities
− aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , met uitzondering vanartikel 4.10 van die wet ;− aanmerkelijkbelanghouder: houder van een aanmerkelijk belang; − vermogensbestanddelen: vermogenstitels die bij voldoende omvang een aanmerkelijk belang kunnen vormen; − voortzettingsperiode: de voortzettingsperiode, bedoeld in artikel 35e van de wet ;− wet: Successiewet 1956 .
Art. 2 Uitbreiding partnerbegrip
Art. 3 Toerekening afgezonderd particulier vermogen
Hst. II Vrijstellingen
Art. 4 Aangewezen mogendheid
Art. 5 Schenking ten behoeve van een eigen woning
Art. 6 Schenking voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep
a. de schenking is aangegaan bij notariële akte waarin is vermeld voor de betaling van welke studie of opleiding de schenking is bedoeld alsmede het bedrag van de verwachte kosten van die studie of opleiding; b. de schenking is gedaan onder de ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het geschonken bedrag niet binnen twee kalenderjaren na het jaar waarin de schenking is gedaan aan de studie of opleiding is besteed, en c. desgevraagd met schriftelijke bescheiden wordt aangetoond dat het bedrag van de schenking daadwerkelijk door de schenker is betaald en, binnen de in onderdeel b bedoelde termijn, door de begunstigde is aangewend voor de in de in onderdeel a bedoelde akte vermelde studie of opleiding.
Hst. III Bedrijfsopvolging
Art. 7 Hetgeen tot een objectieve onderneming wordt gerekend
a. buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen, mits dit vermogen bestaat uit onroerende zaken; en b. rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden.
a. onroerende zaken die op de voet van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter beschikking zijn gesteld aan de vennootschap en dienstbaar zijn aan de onderneming van de vennootschap; enb. rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden.
Art. 8 In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen
a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater of schenker gehouden indirect belang van gewone aandelen als bedoeld in artikel 35c, vijfde lid, onderdelen a en b, van de wet ;b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander; c. ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de wet , of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in artikel 35c, het eerste lid, onderdeel b, van de wet, end. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.
Art. 9 Bezitsperiode
a. ingeval de erflater of schenker een onderneming drijft die eerder werd gedreven door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, wordt gedreven en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aandeelhouder was van bedoelde naamloze of besloten vennootschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;b. ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is en het aanmerkelijk belang betrekking heeft op een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een onderneming drijft die eerder voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode van het zijn van aanmerkelijkbelanghouder en de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;c. ingeval de erflater of schenker medegerechtigde is als bedoeld in artikel 35d, eerste lid, onderdeel b, van de wet en die medegerechtigdheid betrekking heeft op een onderneming die direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet zoals dat artikel luidde op het moment van het worden van medegerechtigde vormde, waarbij die periode wordt berekend als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk schenken, het moment waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd;d. ingeval de erflater of schenker direct of indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat in het kader van een aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, dat in het kader van een bedrijfsfusie bezittingen en schulden heeft verkregen of dat in het kader van een juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel heeft verkregen: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die fusie of splitsing dat aanmerkelijk belang houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor die fusie of splitsing direct of indirect een aanmerkelijk belang hield in het lichaam waarin het verkrijgende lichaam in het kader van die aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, waarvan in het kader van die bedrijfsfusie bezittingen en schulden zijn verkregen, onderscheidenlijk waarvan in het kader van die juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel is verkregen, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt, mits genoemde aanmerkelijk belangen via dezelfde soort vermogensbestanddelen werden gehouden;e. ingeval de erflater of schenker indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat eerder is gekocht van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, of van een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct of indirect een aanmerkelijk belang hield: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, het indirecte aanmerkelijk belang in het gekochte lichaam houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor de koop direct of indirect een aanmerkelijk belang in dat lichaam hield tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;f. ingeval de erflater of schenker gedurende de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet , aanmerkelijkbelanghouder is van aandelen of winstbewijzen en het lichaam waarop die vermogensbestanddelen betrekking hebben in die periode dezelfde soort vermogensbestanddelen aan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, uitgaf: ten aanzien van de uitgegeven vermogensbestanddelen;g. ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is van preferente aandelen als bedoeld in artikel 35c, vierde lid, van de wet : indien de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct voorafgaand aan de omzetting, bedoeld in dat lid, de omgezette gewone aandelen ten minste hield gedurende de aaneengesloten periode, bedoeld inartikel 35d van de wet , waarbij die periode berekend wordt als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk van schenken, het moment van die omzetting;h. ingeval de erflater of schenker resultaat uit een werkzaamheid geniet met betrekking tot een onroerende zaak en de onroerende zaak eerder deel uitmaakte van een voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, gedreven onderneming: indien de periode van het genieten van resultaat uit die werkzaamheid en de periode van ondernemerschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;i. ingeval de erflater of schenker als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of een verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap een belang heeft verkregen via vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aanmerkelijkbelanghouder is of via een onroerende zaak ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, resultaat uit een werkzaamheid geniet: indien de periode dat de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die overgang, onderscheidenlijk die verdeling, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder is of resultaat uit een werkzaamheid geniet en de periode waarin de echtgenoot, onderscheidenlijk de voormalige echtgenoot, van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder was, onderscheidenlijk resultaat uit een werkzaamheid genoot, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;j. ingeval ondernemingsvermogen door toepassing van artikel 12 van de wet geacht wordt krachtens erfrecht door overlijden van de erflater te zijn verkregen: indien de erflater op het moment van schenking voldoet aan de voor de erflater geldende periode, bedoeld inartikel 35d van de wet .
Art. 10 Voortzettingsperiode
a. die onderneming wordt voortgezet; b. die gebeurtenis niet plaatsvindt onder een last of tegen een tegenprestatie aan de verkrijger anders dan de uitgifte van vermogensbestanddelen van dezelfde soort als de verkregen vermogensbestanddelen; en c. die gebeurtenis er niet toe leidt dat de verkrijger als medegerechtigde winst gaat genieten uit die onderneming.
a. het in geval van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 door de verkrijger ophouden winst te genieten uit de oorspronkelijk verkregen onderneming of door het lichaam waarvan hij de vermogensbestanddelen heeft verkregen ophouden de oorspronkelijk verkregen onderneming te drijven, voor zover de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen en de waarde van de in het kader van dat overheidsingrijpen verkregen vergoeding voor zover deze vergoeding niet in de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen is begrepen binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit die verkrijger, onderscheidenlijk dat lichaam, winst geniet;b. het door een lichaam uitgeven van vermogensbestanddelen van dezelfde soort als de verkregen vermogensbestanddelen, voor zover het door de verkrijger verkregen belang in de door dat lichaam gedreven onderneming niet afneemt; c. de vervreemding van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet voor zover:1°. de verkrijger de bij de vervreemding verkregen middelen binnen zes maanden na die vervreemding gebruikt voor de verwerving van een andere onroerende zaak en deze ter beschikking stelt aan dezelfde vennootschap en deze wordt gebruikt binnen de onderneming, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet ; of2°. de vervreemding plaatsvindt door een inbreng tegen vermogensbestanddelen in het lichaam waarvan de verkrijger vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet heeft verkregen, mits de onroerende zaak na die vervreemding wordt gebruikt binnen de onderneming, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
Hst. IV Bijzondere bepalingen
Art. 11 Uitbreiding aangifteplicht
a. de naam, voornamen, laatste woonplaats en de dagtekening van het overlijden van de erflater; b. een omschrijving van de goederen of bewijsstukken, de rechtsverhouding krachtens welke de aangever deze onder zich heeft, en de aanwijzing van hun bestemming.
Art. 12 Opgave verzekeraar en uitvoerder derdebeding
Hst. V Overgangs- en slotbepalingen
Art. 13 IntrekkingUitvoeringsregeling Successiewet 1956
Art. 14 Inwerkingtreding
Art. 15 Citeertitel