Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken
Art. 1
a. de wet: de Wet waardering onroerende zaken ;b. het besluit: het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken .
Art. 2
Art. 3
a. de in de waarde betrokken primaire objectkenmerken; b. de in de waarde betrokken secundaire objectkenmerken.
a. verkooptransacties van woningen en niet-woningen; b. verhuurtransacties van niet-woningen; c. stichtingskosten van niet-woningen; en d. gronduitgifteprijzen.
Art. 4
a. woningen: door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn;. b. niet-woningen: door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, door middel van een methode van vergelijking als bedoeld onder a, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.
Art. 5
Art. 6
Art. 6a
a. de gegevens om de onroerende zaak te identificeren; b. de op voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde van de onroerende zaak;c. de in de waardering betrokken primaire objectkenmerken; d. de in de waardering betrokken secundaire objectkenmerken, inclusief de beoordeling daarvan; e. de in de waardering betrokken referentieobjecten; f. de identificatie- en contactgegevens van de voor de waardering verantwoordelijke organisatie.
a. de toestandspeildatum; b. de marktgegevens van de onroerende zaak van de afgelopen vijf jaar, te weten: 1° de verkoopprijs; 2° de verkoopdatum;
c. de totale grootte van het woningdeel.
Art. 6b
a. de gegevens van de referentieobjecten die niet zijn vermeld in het taxatieverslag; b. de reden dat toestandspeildatum is toegepast in plaats van de waardepeildatum; c. grondstaffels voor zover deze in de waardering zijn betrokken.
Art. 7
Art. 8
Art. 9
undefined
undefined

undefined

undefined
undefined

undefined
